Na vijftien jaar huwelijk krijgt Muriëls man de diagnose autisme. Na wat moeizame pogingen er samen het beste van te maken, zet zij een punt achter de relatie. Niet om het autisme, maar omdat ze snakt naar erkenning en die niet krijgt. Niet van haar man en niet van haar omgeving. Want Chris is toch zo’n goede vader en echtgenoot, zeggen haar ouders en vriendinnen.

Wat volgt is een zoektocht. Eerst naar de schuldige van haar mislukte huwelijk. Uiteindelijk naar haarzelf. Want in haar huwelijk is Muriël vooral zichzelf kwijtgeraakt. Wat ze vindt, is een vrouw die niet zo perfect is als ze dacht.

pp

Over Judith Winterkamp

Autisme? Ik kende het van de zoon van Rob de Nijs en de film Rain Man. Ik was dan ook geschokt toen mijn eigen partner na twintig jaar huwelijk autistisch bleek. Want mijn man leek in de verste verte niet op Yoshi of Raymond. Mijn man was een vader die uren met zijn zoon met Lego speelde, de was deed, de strijk, kookte en altijd vroeg of ik nog een kop koffie wilde en hoe het met me ging.

En toch kreeg ik steeds meer het idee dat ik overal alleen voor stond. Vraagstukken rondom de opvoeding van onze kinderen, maar ook rondom hypotheken, schoolkeuze, ziekte van de kinderen, contacten met vrienden en familie ... Het leek of alles op mij neerkwam.

Daarnaast liep de spanning bij ons steeds weer op. Tot de bom barste. We leefden van incident naar incident en raakten elkaar steeds meer kwijt. Uiteindelijk zette ik na 20 jaar een punt achter ons huwelijk.

Interview Margriet

Judith had ruim twintig jaar een relatie met een man die autistisch bleek. De diagnose was een grote verrassing. Ze vertelt hierover aan Margriet in een openhartig interview.

Judith_interview_Margriet

Wil je op de hoogte blijven?

- Fragment -

Mijn moeder trekt me tegen zich aan.
‘Wil je dan geen tweede kindje?’ Ik leg mijn hoofd op haar schouder. Zo heerlijk om haar warmte te voelen, te kunnen leunen. Kind zijn, wat is dat achteraf makkelijk vergeleken bij moeder zijn. Als iets je niet bevalt, kun je het op een krijsen zetten waarna iedereen in actie komt. En krijg je niet wat je nodig hebt? Dan kun je je ouders de schuld geven van je misère. Altijd prijs! En nu? Ik kan moeilijk mijn zoon verwijten dat hij zich gedraagt als een baby. Hij ís een baby.
‘Dan heb ik straks een kind van anderhalf rondlopen en een baby in de box!’ snotter ik. Ik word al gek bij de gedachte dat de tweede net zo veel aandacht eist als grote broer Thijn.
‘Dat is juist fijn, dan kunnen ze samen spelen,’ oppert mijn moeder, nooit te beroerd om haar positieve kijk op het leven te ventileren. Het liefst lost ze een probleem op nog voordat het ontstaat.
Chris houdt me een glas water voor. ‘Drink, dat helpt.’ Ik veeg mijn neus af en pak het glas aan. Zie ik beren op de weg? Thijn wordt steeds groter en dan leert hij vast wel zelfstandig te spelen. Misschien kan hij zich met een broertje of zusje wel vermaken. Ik kan het me bijna niet voorstellen, maar wie weet heb ik straks twee schatten van peuters en kan ik eindelijk genieten van het moederschap.
‘Zie je wel dat het beter gaat?’ Chris pakt het lege glas uit mijn hand.
Ik voel een vluchtige aai over mijn arm.
‘Kom,’ mijn moeder draait mijn schouders en duwt me zachtjes voor haar uit naar de woonkamer.
‘Ik ga koffiezetten.’ Nog voor ik zit, schiet mijn vader uit zijn luie stoel en loopt naar de keuken.
‘Meid, je zal zien dat het allemaal goedkomt,’ gaat mijn moeder goedgemutst verder. ‘Twee kinderen is goed te overzien. Een derde, dat is pas veel!’
Drie is te veel, zo noemden Lonneke, Janna en ik het spelletje dat we hadden bedacht. Ik heb geen idee meer hoe het ging, ik weet nog wel hoe verlaten ik me voelde als ik de ongelukkige derde was en het veld moest ruimen. Toen mijn moeder mij jaren later vertelde dat zij en mijn vader mijn komst aanvankelijk helemaal niet zagen zitten en dat ze alle huis-tuin-en-keukenmiddeltjes had uitgeprobeerd om van de vrucht af te komen, kleurde mijn herinnering aan dat wrede zelfbedachte kinderspel nog zwarter dan zwart. Elk voorval dat na die bekentenis in ons gezin plaatsvond en waarbij ik de rol van derde speler vervulde, bevestigde mijn overtuiging dat ik er niet moest zijn. Altijd de derde, altijd ongewenst, altijd te veel.
‘Had jij nou wel of geen suiker?’ vraagt mijn vader als hij een kop koffie voor me houdt.

- Fragment -

Chris mept met zijn vlakke hand op het koffieapparaat. Na een paar harde klappen zakt het bekertje in de houder.
‘Heb je nou je zin? Alles in het verslag komt van jou. Door jou heb ik die diagnose. Je wordt bedankt!’
De spiertjes rondom mijn kin beginnen te trekken. Met mijn vingertoppen masseer ik de scherpe pijn. Het verlicht iets.
De gang is kaal en leeg. Nergens een plekje om te gaan zitten. Niet eens zo’n saai zitje. Niet wat je in een instelling verwacht. Ik hang met mijn kont op de radiator en met mijn rug tegen de muur.
‘Het hele onderzoeksteam heeft jouw uitslagen bekeken. Daar heb ik geen invloed op!’ Mijn woorden galmen door de gang.
Chris gooit het bruine plastic bekertje in de prullenbak. Het restje koffie maakt sliertige vlekken op de witte muur. Zo te zien zijn er al heel veel bekertjes met een veel te harde zwaai in de prullenbak gegooid.
‘Komen jullie weer?’ Ida’s hoofd verschijnt om de hoek.
Met grote passen loopt Chris naar de kamer. Binnen grist hij het verslag van tafel, scheurt het doormidden en legt de stukken met een harde klap op tafel.
‘Laten we rustig gaan zitten.’ Ida spreekt de woorden langzaam en zacht uit.
Chris en ik laten ons zakken op de stoelen tegenover de psychiater.
‘Ik begrijp dat dit een moeilijk moment voor je is. Voor jullie allebei natuurlijk.’ Ida kijkt ons een voor een aan.
Ik knik.
‘Ik stel voor dat jullie het verslag thuis verder lezen. We maken een afspraak voor volgende week en dan bespreken we jullie vragen.’
Ik duw de randen van het bekertje naar elkaar toe. Zonder de psychiater aan te kijken, stel ik de vraag die me al weken bezighoudt: ‘Hoe moet het verder als Chris de diagnose niet accepteert?’
‘Laten we niet op de zaken vooruitlopen,’ zegt Ida, ‘na volgende week starten jullie met de psycho-educatie. Dat wachten we eerst af.’
‘Ik ga.’ Chris schiet overeind. Zijn stoel slaat achterover.
‘Tot volgende week,’ zeg ik. Ik loop achter Chris aan naar de gang. Iets in mij zegt dat het niet goed komt. Dat het na vandaag slechter wordt. We nemen allebei een andere weg, Chris naar links en ik naar rechts. Na vandaag komen we elkaar niet echt meer tegen.

Wil je op de hoogte blijven?